I n ons Brussels is e gedacht hemme ongetwijfeld te vergelijken met een idee koesteren. Ik betrap mezelf er graag op dingen te zeggen die voor zich spreken, waarde lezer, maar is dat niet het voorrecht van de dichter? Vandaar dat we het in deze Brusselse Kroniek eerder auver e gedacht dan auver e gedicht zulle hemme . Wanneer we kunnen beweren: “Elk za gedacht” , dan mogen we ons in een even rechtvaardige als gelukkige wereld achten. Want zoals het liedje het zo mooi verwoordt: ‘De gedachte zaain vraa, wee zal ze belette? Ze vleege verbaa, no aaigene wette.’