|
STADSLEVEN
zaterdag 17 oktober 2009
Mohamed Amin, cineast tussen twee culturen
Mohamed Amin: “Ik denk dat de kans groot is dat mijn nieuwe film niet gesubsidieerd zal worden, omdat hij raakt aan de symbolen van de Marokkaanse staat, van het leger.”
© Marc Gysens
Brussel - "In Marokko heb ik het geluk gehad steeds naast een bioscoop te wonen. Mijn filmleven is begonnen met Charlie Chaplin, die in The gold rush uitgehongerd zijn schoenen opeet. Ik moet vijf geweest zijn, en van toen af was ik niet meer weg te slaan uit de wijkbioscoop. Alles verslond ik: Bollywood, kungfu, spaghettiwesterns... Filmmaken werd een verre droom, een droom die ik sinds kort ook waarmaak." Mohamed Amin is cineast. O p het moment dat Mohamed Amin van zijn bioscoopstoeltje werd geblazen door Chaplins magistrale mix van humor en tristesse, leefden zijn ouders al een tijdje in België. “Ze zijn geëmigreerd toen ik drie was. Ik was in Nador, de Rif, achtergebleven bij mijn grootmoeder. Die lieve vrouw heeft een grote invloed op mijn ontwikkeling gehad. Ze was heel beschermend, heel aanwezig. Een poëtische ziel ook, die prachtig kon zingen en verhalen vertellen. Samen met de constante aanwezigheid van de bioscoop zijn dat de herinneringen die ik koester.” “Mijn ouders zag ik tijdens de vakanties. Ofwel kwamen zij naar Marokko, ofwel ging ik naar België. Mijn broers en zussen zijn hier in België geboren. Pas na mijn diploma middelbaar onderwijs ben ik naar Brussel verhuisd. Een bewuste keuze. Voor de familie én voor het land, omdat ik tijdens mijn vakanties de toegang tot cultuur had ontdekt. Hier had je bibliotheken, theaters, veel bioscopen, het Filmmuseum... Telkens als ik na de vakantie terug moest, miste ik België. Bovendien was het in Marokko veel moeilijker om meisjes te ontmoeten dan hier, wat erg frustrerend was.” “Ik schreef veel, ik verslond pellicule en filmmagazines – tonnen heb ik thuis in de kelder liggen –, maar de grote stap durfde ik nog altijd niet te zetten. In plaats daarvan ben ik voor de gemeente Schaarbeek gaan werken. Dat ik in twee verschillende culturen leef en ze ook begrijp, kwam me heel goed van pas, onder meer in het samenwerkingsverband met Al Hoceima. Ik was de go-between tussen de Belgische en de Marokkaanse functionarissen. Niet zozeer taalkundig, wel om een culturele brug te slaan.” “Twee jaar geleden ben ik voor het eerst naar Marokko gegaan om er drie door mij geschreven korte films te draaien. In een bergdorp, dicht bij de Middellandse Zee. Liep het niet van een leien dakje – de bewoners en autoriteiten hadden er geen ervaring mee, er waren de kustcontroles van het leger –, toch zijn we erin geslaagd het avontuur tot een goed einde te brengen. Met een van de drie films, Sellam en Démétan, heb ik eind vorig jaar deelgenomen aan het Nationaal Festival van de Marokkaanse Film. Sellam en Démétan werd de eerste dag voorgesteld, als zowat de eerste film in vijftig jaar die van het Rifgebergte komt. Wat volgde, was een droomweek. Interviews, reportages op televisies, goede reviews. Ik heb er uiteindelijk twee van de drie prijzen in de kortefilmcompetitie gekregen.” “Ondertussen is de film al vertoond op festivals over de hele wereld en heeft hij al vijf internationale prijzen in de wacht gesleept. Het succes ligt mogelijk in het feit dat hij – hoe simpel ook – iets universeels heeft wat iedereen aanspreekt. Het is een nostalgische prent over een kleine jongen, Sellam, die per se de laatste aflevering van een Japanse tekenfilmreeks over een kleine ongelukkige kikker wil zien. Maar hij heeft thuis geen televisie en er zijn ook nog de dagelijkse besognes, zoals water gaan halen voor zijn grootmoeder. Het is een beetje een autobiografische film, en ook een ode aan een levenswijze die met de jaren verloren is gegaan. Het zijn de dorpen die de Berbercultuur onderhouden, maar ze lopen leeg. De mensen worden door de stad opgeslorpt, en zo wordt hun cultuur gedood. Triest.” “Ondertussen heb ik een scenario voor een langspeelfilm ingediend bij het Centre Cinématographique Marocaine. Een hard verhaal over les années de plomb in de Rif. Politieke spanningen in de jaren 1980, de beperkingen van vrijheden van journalisten en politici door het leger, bloedige rellen die ik zelf heb meegemaakt. Ik denk dat de kans groot is dat mijn film niet gesubsidieerd zal worden, omdat hij raakt aan de staat, het leger.” “Nu ga ik ook aan een Brussels verhaal schrijven, maar het zit allemaal nog in een pril stadium. Het verhaal wordt verteld vanuit het gezichtspunt van jongeren en behandelt onder meer de toegang tot cultuur, vertrekkend van mijn herinneringen. Hoe ik geprobeerd heb me te integreren, me in te leven in de Belgische en de Brusselse cultuur. Zo heeft de immigratie me geleerd open te staan voor anderen, ondanks alle problemen. Het maakt ook deel uit van de rijkdom van Brussel, waarvan ik heb kunnen profiteren.”
Karel Van der Auwera © Brussel Deze Week
MEER STADSLEVEN
|
|
met steun van de Vlaamse overheid