Elsene -
Een van de opmerkelijke punten in het samenwerkings-akkoord tussen de federale en de Brusselse overheid, het Beliris-akkoord, is dat geld, veel geld, ter beschikking wordt gesteld voor het befaamde openluchtzwembad. Er is niet alleen 600.000 euro uitgetrokken voor de studie, maar ook vast al 5 miljoen euro voor de bouw van het zwembad.
door Dirk Volckaerts, hoofdredacteur Brussel Deze Week
Het feit kreeg de voorbije dagen meer media-aandacht dan andere – zwaardere – inspanningen, vooral dan op het gebied van de verkeersinfrastructuur.
Laten we wel wezen: het openluchtzwembad is een symbool-dossier – het symbooldossier van één man: Pascal Smet, Brussels minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Al tijdens de vorige regeringsperiode kwam hij te pas (en volgens sommigen ook te onpas) op de proppen met zijn plannen voor een openluchtzwembad. De aanhouder wint, blijkbaar. Werd er aanvankelijk behoorlijk gelachen om Smets zwembadplan, heeft hij zijn Brusselse én federale collega’s ministers over de streep kunnen trekken – al denken sommigen nog altijd dat het dossier met een sisser gaat aflopen.
Het valt moeilijk te achterhalen of Pascal Smet zijn collega’s in de Brusselse regering eigenlijk iets heeft moeten beloven om ‘zijn’ zwembad te kunnen krijgen – al was het maar er eindelijk eens over op te houden. Het is een publiek geheim dat enkele andere regeringsleden niet zo blij waren met het feit dat Smet met zijn gekke plan alle media-aandacht wegkaapte, terwijl zij met concrete beleidsmaatregelen (bijvoorbeeld de verlaging van de schenkingsrechten of de goede afloop van de sloop op het Carcoke-terrein) nauwelijks in het nieuws kwamen, ondanks ettelijke meters persmededelingen.
Die aandacht voor het openluchtzwembad had ook een duidelijk nadeel voor Smet. Het móet er nu wel komen. Smet heeft er zo op zitten hameren, hij heeft er zelfs een verkiezingsthema van gemaakt. Komt het openluchtzwembad er niet, dan is hij al zijn geloofwaardigheid kwijt. Het is zijn allereerste grote test geweest, en hij lijkt het gehaald te hebben. Ere wie ere toekomt: wie er in slaagt, in deze tijden van velerlei budgettaire en maatschappelijke problemen, vijf miljoen euro los te peuteren voor een relatief nutteloos project, die heeft ofwel een enorm politiek talent, of die heeft de hemel in ruil moeten beloven. Of een gezonde combinatie van beide.
Afijn, uiteraard is een openluchtzwembad in Brussel niet helemáál nutteloos. Het zal, tijdens de warme maanden van het jaar, sommigen de nodige verkwikking bieden. Maar is de bouw van het zwembad, in deze tijden van (zoals al gezegd) velerlei budgettaire en maatschappelijke problemen, een prioriteit? Neen. Is de geplande plaats van het zwembad in de Noordwijk, tussen de Groendreef, de Helihavenlaan en de Kleine Ring, de goede? Evenmin. In het standaardwerk De ket in Pascal Smet. Een gesprek over Brussel (Brussel, mei 2004) lezen we dat het “onbegrijpelijk [is] dat een stad van één miljoen inwoners geen openluchtzwembad heeft. Niet alle mensen hebben het geld om naar de zee te gaan. En Amsterdam heeft liefst zeven openluchtzwembaden.”
Welja. Maar Brussel heeft niet alleen geen openluchtzwembad. Brussel heeft ook nog altijd geen behoorlijk parkeerbeleid, geen coherente visie op samenlevingsproblemen, geen nette stoepen, geen algemene cultuurpolitiek en ga zo maar door. Dat is al even “onbegrijpelijk”. Toegegeven: ook over deze grotestadsproblemen staan veel passages in De ket in Pascal Smet. Maar het valt te vrezen dat daar lang niet zo vlot oplossingen voor gevonden zullen worden.
Het openluchtzwembad komt er wèl. En, ja, het zal waarschijnlijk leuk zijn voor de mensen. Het zal de volledige verdienste van Pascal Smet zijn. Binnen duizend jaar zullen de archeologen, als ze de resten van het bad terugvinden, opgewonden zeggen: “Ziehier het zwembad van Smet”, zoals we het nu over de thermen van Diocletianus of de triomfboog van Titus hebben.
We mogen hopen dat we, naast het zwembad-Smet, het nageslacht ook een gewestelijk-parkeerbeleid-Smet, een behoorlijk-fietsplan-Smet en een heus-cultuurplan-Smet kunnen nalaten.
Dirk Volckaerts © Brussel Deze Week