Een jaar of vijftien geleden, toen Deze Week in Brussel pas Brussel Deze Week was geworden, hoorde ik voor het eerst van Exploration du Monde. Rijkelijk laat, want de organisatie vierde in 2010 haar zestigste verjaardag. Ze maakt reisdocumentaires: films die verre oorden voor de thuisblijver aanschouwelijk maken. We plaatsten in die begindagen regelmatig een foto in onze krant om de vertoningen aan te kondigen. Dat waren steevast mooie plaatjes.
De explorations leiden meestal naar verre streken als Thailand of de Andes, maar nu is er ook voor het eerst een film gemaakt over Wallonië.
We zijn Wallonie gaan bekijken in het Paleis voor Schone Kunsten, nog steeds een van de plekken te lande waar u voor de seances terechtkunt. Het was ook in het PSK dat in 1950 de eerste film van Exploration du Monde werd vertoond, een tocht van de Franse schrijver en reisreporter Roger Frison-Roche, die op een kameel de Sahara doorkruiste in Mille kilomètres dans le Grand Désert. Het concept was toen begrijpelijkerwijs een succes: de exotische oorden verschenen in kleur op het grote doek, en de maker leverde simultaan commentaar bij de beelden. Nog straffer is dat vandaag nog altijd dezelfde formule gehanteerd wordt.
Wallonie is een werkstuk van Philippe Soreil en Maximilien Dauber, en Soreil zorgde zelf op het podium voor het offscreen commentaar bij de beelden. Hij las zijn minutieus getimede tekst af van A4’tjes onder een discreet leeslampje, voor een publiek dat grotendeels een abonnement lijkt te hebben op deze imaginaire reisjes. Erg retro.
Ik was geïnteresseerd in Wallonie omdat het er maar niet van komt om dat schone land nog eens zelf te gaan exploreren. Ik moet het doen met herinneringen aan daguitstappen met mijn ouders, en aan aardrijkskundelessen op de lagere school, aan Super 8-filmpjes en mooie foto’s die de kaft van onze schoonschriftschriftjes sierden.
Terug in de tijd
Ik weet niet of het een compliment is voor de makers, maar deze film katapulteerde me meteen terug naar die tijd. Hij is een aaneenschakeling van mooie beelden waaruit moet blijken dat voor de toerist Wallonië godzijdank nog niet is veranderd. Soreil deed alle provincies en zowat elk toeristisch stadje aan. Vanuit de Hoge Venen reisde hij eerst het oostelijke deel af, door het stroomgebied van de Maas en haar bijrivieren tot in de diepe Ardennen. Na de entr’acte volgden een stukje Namen, Waals-Brabant en Henegouwen.
De klemtoon lag voortdurend op monumenten (van de okergele ruïnes in Orval tot het kasteel van Belœil), natuurschoon, folkloristische feesten en af en toe een forelvisser. Ons niet gelaten. Die Waalse volksfeesten zijn fantastisch. We kennen het carnaval van Binche en Le Doudou in Bergen. Maar je hebt ook de carnavaleske Jeudi des Femmes in Eupen, waar op stropdassen wordt gejaagd, of de begrafenis van het varkensbot genaamd Matî l’Ohê in Luik, wanneer iedereen op straat met selders staat te zwaaien, of de spectaculaire wedstrijden van de steltenlopers van Namen, die elkaar onderuit proberen te halen.
Het is ook heel geruststellend om te zien dat er op de oevers van de Semois in augustus en september nog altijd tabak te drogen hangt, en dat Durbuy nog altijd het kleinste stadje ter wereld is. Op basis van dit document moest ik besluiten dat ik Wallonië toch nog vrij goed ken. Alleen de beelden van de machtige trekpaarden die nog in de bosbouw worden ingezet, waren nieuw voor me, net als die van de tramkokers die Leopold II onder de Citadel van Dinant liet graven, en waar nu de wijntonnen van hofleverancier Grafé Lecocq liggen te rijpen. Het station van Luik-Guillemins en de graffiti in Charleroi waren de enige tekenen van moderniteit in een film die voor de rest toch vooral op een oude ansichtkaart leek.
















Nieuwe reactie inzenden